Today at 16.15 hrs CET, Frank Veenstra will defend his PhD thesis on deadlocks and responsibility in inquiry proceedings at the Rijksuniversiteit Groningen.
Veenstra basically focuses on two issues:
- Whether the right of inquiry is suited to deal with, and solve, deadlock cases in 50/50 situations (typically in small private companies).
- Whether, and if so to what extent, remarks by the Enterprise Chamber in inquiry proceedings - that do not deal with personal liability of directors - about responsibility of directors for certain misconduct may play a role in subsequent liability proceedings. that are brought before a different court.
The first issue, I believe, hasn't really been a big issue in the past years. Many cases before the Enterprise Chamber exactly deal with these 50/50 deadlock type of controversies (around 94% of the cases involve private companies), and the court seems to be handling them in a pretty efficient manner. The second issue was a fairly big issue in the 90s following the Supreme Court's Ogem Holding decision (January 10, 1990, NJ 1990, 466), until the Supreme Court rendered its 2005 Laurus decision that aimed to clarify things and took much - granted: not all - of the initial concerns away. Here's the money quote.
3.7 (...) Zoals de Hoge Raad in zijn beschikking van 27 september 2000, nr. OK 80, NJ 2000, 653, heeft geoordeeld, houdt het in de wet vastgelegde stelsel van het recht van enquête twee afzonderlijke procedures in (in HR 6 juni 2003, nr. R 02/078, NJ 2003, 486 ook aangeduid als: twee fasen). Wat betreft de tweede procedure, waarin de ondernemingskamer, indien uit het verslag van de door haar benoemde onderzoekers van wanbeleid is gebleken (art. 2:355 BW), de in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen kan treffen, heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 10 januari 1990, nr. 21, NJ 1990, 466, overwogen dat de vaststelling van de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is - behoudens cassatie - bindend is, ook in andere procedures, voor diegenen die in de tweede procedure zijn verschenen en òfwel tot toewijzing van hetgeen verzocht en/of gevorderd is hebben geconcludeerd òfwel daartegen verweer hebben gevoerd, zonder dat daarmee tevens is vastgesteld of en in hoeverre dit wanbeleid aan die individuele verweerder kan worden verweten en deze daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld (rov. 5). De Hoge Raad overwoog tevens dat het begrip "wanbeleid" in art. 2:355 BW kennelijk betrekking heeft op wanbeleid van de rechtspersoon, en dat wanbeleid van de organen van een rechtspersoon of degenen die daarvan deel uitmaken, aan de rechtspersoon moet worden toegerekend (rov. 7.4).
3.8 Deze overwegingen dienen als volgt te worden verstaan. Indien personen die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon door derden die als gevolg van wanbeleid schade hebben geleden aansprakelijk worden gesteld in een afzonderlijke, op art. 6:74 en/of art. 6:162 en/of art. 2:138/248 BW gebaseerde, procedure, is de vaststelling van de ondernemingskamer dat van wanbeleid van de onderzochte rechtspersoon sprake is - behoudens cassatie - weliswaar bindend voor diegenen die in de tweede procedure van de enquête zijn verschenen en ofwel tot toewijzing van hetgeen verzocht en/of gevorderd is hebben geconcludeerd ofwel daartegen verweer hebben gevoerd, maar dit impliceert niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor dat wanbeleid. De door de ondernemingskamer vastgestelde feiten staan in een aansprakelijkheidsprocedure ook niet op voorhand vast, zelfs niet behoudens tegenbewijs. Het oordeel van de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is geweest, kan daarin onder omstandigheden wel de bewijsrechtelijke betekenis hebben dat de rechter, mede gelet op de inhoud van het door de onderzoekers opgestelde verslag en het daarover in de tweede procedure van de enquête gevoerde debat, voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen.
Anyway, here's the abstract of the research, which provides nice insights in a lot of case law and is a welcome contribution to the book series of the Institute for Corporate Law.
Hoewel de enquêteprocedure hiervoor niet is bedoeld, wordt zij veelvuldig aangewend ter doorbreking van impasses tussen aandeelhouders van kleine vennootschappen tussen wie de verhoudingen ernstig en blijvend zijn verstoord. In deze uitgave is onderzocht of de enquêteprocedure gelet op haar aard, inrichting en de bevoegdheden van de Ondernemingskamer geschikt is om deze impasses te doorbreken. De Ondernemingskamer heeft voorts in verschillende enquêteprocedures het handelen van de afzonderlijke functionarissen beoordeeld. Hierop is in de literatuur kritisch gereageerd. Gevreesd wordt dat de desbetreffende overwegingen belangrijke betekenis kunnen hebben in latere aansprakelijkheidsprocedures, hetgeen bezwaarlijk wordt geacht omdat de enquêteprocedure slechts één feitelijke instantie kent terwijl de onderzoeksfase niet van bijzondere procesrechtelijke waarborgen is voorzien. In deze uitgave is onderzocht op welke wijze en in welke mate de overwegingen van de Ondernemingskamer kunnen doorwerken in aansprakelijkheidsprocedures.

Recent Comments