This month, further explanatory notes were sent to the Senate regarding the Implementation Bill. Furthermore, the Dutch Minister of Security and Justice confirmed that his target date for the adoption of the bills is 1 July 2012. The Flex BV Bill (together with the Implementation Bill) will simplify the statutory rules governing Dutch private limited liability companies and offer more flexibility.
One of the aspects the bill deals with is the rules on distributions to shareholders. These rules will be modified whilst similar rules will apply to share buybacks and capital reductions.
Following the adoption of the bill, decisions by the AGM to make a distribution must be approved by the board, which shall not approve the distribution if the board knows or should reasonably foresee that, after making the distribution, the company will be unable to continue paying its due and payable debts. According to the explanatory notes dated 1 March 2012 the board has no choice but will have to approve the distribution if the above mentioned criterion is not met, unless, based on European company law, the shareholders' equity does not exceed the reserves that must be maintained by law or based upon the articles of association. Furthermore, a shareholder has to pay back the distribution (plus interest) he received, if he knew or should have foreseen that the company would be unable to continue paying its due and payable debts following the distribution. Lastly, board members can be liable as well. Regarding this last issue, the explanatory notes dated 1 March 2012 clarify that if, following the distribution, the company will be unable to continue paying its due and payable debts, the board members who at the time of the distribution knew or should reasonably have foreseen this will be jointly and severally liable towards the BV for compensation of the shortfall resulting from the distribution, plus interest.
In Dutch:
De leden van de CDA-fractie hebben vervolgens enkele vragen over het instemmingsvereiste in artikel 216 lid 2. Zo vragen zij of het woord “slechts” in lid 2 betekent dat het bestuur in het daar bedoelde geval verplicht is zijn goedkeuring te weigeren. Of moet de bepaling zo worden begrepen dat in het daar bedoelde geval op het bestuur de vennootschappelijke plicht rust de goedkeuring te weigeren? Lid 2 luidt als volgt: “Het bestuur weigert slechts de goedkeuring indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden.” Met het woord “slechts” wordt tot uitdrukking gebracht dat het bestuur uitsluitend de goedkeuring mag weigeren, indien de daarna genoemde omstandigheid zich voordoet. Het bestuur heeft daarbuiten geen discretionaire bevoegdheid tot goedkeuring. Anders gezegd: indien het bestuur bijvoorbeeld van oordeel is dat een voorziening moet worden getroffen om toekomstige investeringen mogelijk te maken, is het niet bevoegd om zijn goedkeuring aan het besluit tot bestemming van de winst te onthouden, indien de vennootschap haar opeisbare schulden kan blijven betalen. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat de algemene vergadering bevoegd is om de bestemming van de winst te bepalen binnen de marges van de noodzakelijke schuldeisersbescherming. Indien het bestuur geen gebruik maakt van zijn weigeringsbevoegdheid, lopen de bestuurders het risico om aansprakelijk te worden gesteld, indien zij wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van de opeisbare schulden.
And:
Artikel 216 beoogt de bestaande jurisprudentie inzake uitkeringen aan aandeelhouders te codificeren. De aansprakelijkheid van bestuurders wordt met de nieuwe regeling niet verzwaard, maar nader ingevuld en verduidelijkt. Zo wordt het bestuur een formele positie toegekend met betrekking tot de bevoegdheid tot winstbestemming door de algemene vergadering. Voorts wordt de aansprakelijkheidsstelling van bestuurders en ontvangers van de uitkeringen begrensd tot het tekort dat door de uitkering is ontstaan. Deze leden zouden ook graag een toelichting ontvangen op de vraag op welk moment een uitkering aan de uitkeringstest van artikel 216 dient te voldoen. Tussen het verlenen van de goedkeuring en de betaalbaarstelling van het dividend kunnen zich ontwikkelingen hebben voorgedaan waardoor de uitkering op het moment van betaalbaarstelling niet langer aan de uitkeringstest voldoet. Moet het bestuur op dit moment wederom de uitkering toetsen aan artikel 216? Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie hierboven over een ten onrechte verleende goedkeuring als zelfstandige grond voor aansprakelijkheid. Voor de aansprakelijkheid van het bestuur is steeds beslissend het moment waarop het bestuur het dividend betaalbaar stelt.
Recent Comments